Gepubliceerd op
Lange tijd betekende beleggen in aandelen een van twee dingen: zelf avonden lang jaarverslagen uitpluizen om de winnaars te kiezen, of uw spaargeld toevertrouwen aan een bankfonds waarvan de beheerder beloofde de markt te verslaan.
Beide benaderingen hadden een ongemakkelijke kant. Na transactiekosten, instapkosten en jaarlijkse beheerskosten die bij klassieke fondsen vaak rond 1,5% tot 2% lagen, deed een groot deel van de actieve beleggers en professionele beheerders het op lange termijn slechter dan de brede markt.
Vandaag kiezen miljoenen beleggers een andere weg. In plaats van de markt te proberen verslaan, kopen ze de hele markt, via indexfondsen en ETF’s (beursgenoteerde fondsen) die de S&P 500, de Nasdaq-100 of een wereldindex volgen. In Vlaanderen en Nederland kreeg die aanpak een passende bijnaam: hangmatbeleggen. Een breed gespreide portefeuille met lage kosten, opgezet om lang te blijven staan, terwijl de tijd en het samengestelde rendement hun werk doen.
Van “Bogle’s Folly” tot marktreus
Het idee dat beleggers beter stoppen met het kiezen van individuele aandelen, werd op Wall Street lang als ketterij beschouwd. In vier stappen groeide het uit tot een fundament van de moderne financiële wereld.
1976: de S&P 500 en “Bogle’s Folly”
Geïnspireerd door academisch onderzoek van economen als Paul Samuelson en Eugene Fama, dat erop wees dat markten opvallend efficiënt zijn, lanceerde Vanguard-oprichter John “Jack” Bogle in 1976 de First Index Investment Trust: het eerste indexfonds voor particuliere beleggers, op de S&P 500. Wall Street noemde het spottend “Bogle’s Folly”, en het fonds haalde bij de start slechts een fractie op van het beoogde bedrag. Toch bleek Bogles redenering te kloppen: zonder dure analistenteams en met minimale kosten deed het indexfonds het op lange termijn beter dan de meeste actieve beheerders.
1993: de eerste moderne ETF
Een klassiek indexfonds kon maar één keer per dag verhandeld worden, na het sluiten van de beurs. In januari 1993 lanceerde State Street de SPDR S&P 500 ETF Trust. Voor het eerst kon iedereen tijdens de beursuren een stukje van de 500 grootste Amerikaanse bedrijven kopen of verkopen, net als een gewoon aandeel.
1999: de Nasdaq-100
Met de opkomst van de personal computer en het internet wilden beleggers gericht inzetten op innovatie. In maart 1999 lanceerde Nasdaq een ETF op de Nasdaq-100, de 100 grootste niet-financiële bedrijven op die beurs (later overgenomen door Invesco). Nasdaq-100-trackers werden het bekendste instrument om mee te groeien met technologiebedrijven als Apple, Microsoft, Amazon, Alphabet en Nvidia.
2000–2020: wereldindexen en de Europese ETF-markt
Om niet op één land te gokken, kwamen wereldwijde indexen centraal te staan, zoals de MSCI World (grote en middelgrote bedrijven uit 23 ontwikkelde landen) en bredere varianten als de FTSE All-World en de MSCI ACWI, die ook opkomende markten en kleinere bedrijven omvatten. In Europa zorgde het UCITS-kader, de Europese regels voor beleggingsfondsen, voor een sterke groei van ETF’s die deze indexen volgen.
Wat bedoelen we met “Class A-fondsen”?
In fondsentaal verwijst “Class A” gewoonlijk naar een aandelenklasse: hetzelfde fonds kan verschillende klassen hebben, met andere kosten, valuta of dividendbeleid. Bij Vermeeren & Van Haute gebruiken we de term ruimer, voor een categorie in onze portefeuille: grote, liquide fondsen met lage kosten op toonaangevende indexen, zoals de S&P 500, de Nasdaq-100 en de wereldindex. Ze vormen de stabiele kern waarrond de andere domeinen worden opgebouwd.
Twee eigenschappen maken die fondsen interessant:
- Lage kosten: door hun schaal liggen de jaarlijkse lopende kosten (de TER) van de grote indexfondsen vaak tussen ongeveer 0,03% en 0,20%, tegenover 1,5% of meer bij veel klassieke actieve fondsen. Over lange periodes maakt dat verschil veel uit.
- Kapitaliserend of uitkerend: uitkerende fondsen betalen dividenden uit, kapitaliserende fondsen herbeleggen ze automatisch in het fonds. Welke vorm past, hangt af van uw situatie. De fiscale behandeling verschilt bovendien per type fonds en kan wijzigen; laat u daarover persoonlijk adviseren.
De drie grote indexen vergeleken
| Kenmerk | Wereldindex (MSCI World) | S&P 500 | Nasdaq-100 |
|---|---|---|---|
| Aantal bedrijven | Ruim duizend grote en middelgrote bedrijven | Ongeveer 500 | 100 |
| Regio | 23 ontwikkelde landen (MSCI ACWI: ook opkomende markten) | Verenigde Staten | Overwegend Verenigde Staten |
| Aandeel VS | Meer dan 70% | 100% | Nagenoeg alles |
| Sectoren | Breed, met een groot aandeel technologie | Breed, technologie is de grootste sector | Sterk gericht op technologie, geen financiële bedrijven |
| Rol in een portefeuille | Brede, wereldwijde basis | Kern in grote Amerikaanse bedrijven | Gerichte, meer beweeglijke blootstelling aan technologie |
De principes achter hangmatbeleggen
Hangmatbeleggen vat decennia aan financieel onderzoek samen in een paar eenvoudige principes:
- Inflatie niet vergeten: geld dat jarenlang op een spaarrekening staat, verliest door inflatie langzaam aan koopkracht.
- De hele hooiberg in plaats van de naald: in plaats van het ene winnende aandeel te zoeken, bezit een indexbelegger via één of enkele fondsen duizenden bedrijven wereldwijd. Wanneer sectoren opkomen of wegvallen, past de index zijn samenstelling vanzelf aan.
- Regelmatig en zonder emotie: door elke maand een vast bedrag te beleggen, op hoge en op lage koersen, verdwijnt de druk om het “juiste moment” te kiezen, en daarmee ook paniekverkopen.
- Letten op de kleine lettertjes: kosten, het type fonds, de ISIN-code en de beurstaks verschillen per product en kunnen het eindresultaat merkbaar beïnvloeden.
Hoe indexfondsen de markten veranderden
Wat begon als een nichestrategie voor kostenbewuste spaarders, is uitgegroeid tot een dominante kracht. In 2024 beheerden passieve fondsen in de Verenigde Staten voor het eerst meer vermogen dan actieve fondsen, en ook in Europa groeien indexfondsen en ETF’s snel. Die verschuiving had twee grote gevolgen:
- Lagere kosten voor iedereen: indexfondsen dwongen banken en actieve beheerders hun tarieven te verlagen, wat beleggers jaarlijks veel geld bespaart.
- Meer concentratie: de grote indexen wegen bedrijven volgens hun beurswaarde. Door de sterke groei van de grootste technologiebedrijven nemen de tien grootste bedrijven in de S&P 500 vandaag ruim een derde van de index in, en ook de brede MSCI World bestaat voor meer dan 70% uit Amerikaanse bedrijven. Wie een S&P 500-fonds combineert met een wereldfonds, creëert dus vooral overlap en weinig extra spreiding.
De kernles van de indexrevolutie blijft overeind: lange termijn, lage kosten, brede spreiding en discipline. Wel vraagt ook een eenvoudige aanpak aandacht voor concentratie, kosten en fiscaliteit.
Hoe wij ernaar kijken
Bij Vermeeren & Van Haute vormen Class A-fondsen de stabiele kern van de portefeuille waarin we voor eigen rekening investeren. Ze bieden brede spreiding tegen lage kosten, en geven ons de ruimte om in de andere domeinen gerichter te werk te gaan.
Dit artikel bevat algemene informatie en is geen beleggingsadvies, aanbod of aanbeveling om een bepaald fonds te kopen. Beleggen houdt risico’s in; de waarde van een belegging kan dalen en u kunt (een deel van) uw inleg verliezen. Rendementen uit het verleden bieden geen garantie voor de toekomst. Fiscale regels hangen af van uw persoonlijke situatie en kunnen wijzigen.

